Algemeen
Bij het paars ruig krabbetje zijn de scharen en het carapax bezet met stugge haartjes, ook de pootjes zijn daarmee dicht bezet. Hij beschikt over een paar zwaar ontwikkelde schaarpoten waarop ook nog kleine bobbelige uitstekels zitten. Het zijn schuwe dieren die zich verstoppen onder stenen, tussen sponzen, in wasrozen (Anemonia viridis), tussen mosdiertjes en tussen bruin wieren maar meestal zitten ze in holletjes. Het diertje heeft een relatief hoog zoutgehalte nodig.

Afmetingen
De breedte van de carapax is maximaal 25 mm bij de mannetjes, bij de vrouwtjes kleiner.

Kleur
De carapax is roodbruin en soms iets paarsig. Aan de punten zijn de scharen donkerbruin tot zwart. Meestal hebben de looppoten en de bobbelige uitsteeksels op de schaarpoten, iets roodachtige kleur.

Habitat
Het paars ruig krabbetje komt vooral de getijdenzone voor, maar kunnen tot op een diepte van 40 m aangetroffen worden, op plaatsen waar het zich kan verstoppen in holletjes, tussen stenen of in oesters.

Verspreiding
In de Middellandse zee en Adriatische zee voorkomend.

Terug