Algemeen
Volgens de boeken zou deze slak niet groter worden als ± 60 mm. In Oosterschelde
zijn echter al waarnemingen van 120 mm gemaakt. Deze slak heeft buiten de rhinophoren
op de kop nog een kieuwkrans op het achterlijf. Er zitten op het zijn wrattig lijfoppervlak nog lichtkleurige zuurklieren verspreid
die bij gevaar een zuur afgeven. Aan de onderkant zitten bruine vlekjes langs de
rand. Hij leeft van korstvormende spons Mycale micracanthoxea.
Afmeting
Tot 120 mm lang.
Kleur
Zeer variabel van zachtgeel tot roestbruin.
Habitat
Vanaf de laagwaterlijn tot ca. 20 meter diep.
Verspreiding
Noord Atlantische oceaan van Noorwegen tot en met Frankrijk. Waarnemingen uit de Middellandse zee zijn nog niet bevestigd.