Algemeen
Het carapax van de gewone zwemkrab is vrij glad met een iets glanzend oppervlak.
Op de rand tussen de ogen staan drie tanden waarvan de middelste iets verder uitsteekt.
Aan de binnenzijde van de schaarpoten, ter hoogte van het schanier zit een grote
spitse tand. Aan de buitenzijde zit een kleinere tand. Langs de poten zit een randje
wat vooral te zien is bij de zwempoten. Geurzintuigen zitten in de schaarpoten wat
hem helpt bij het jagen op wormen, stekelhuidige en andere kreeftachtige. Hij kan
niet goed tegen kou en brengt de winter in dieper water door.
Afmetingen
De maximale breedte van de carapax is 57 mm, meestal worden de dieren echter niet
groter dan 35 mm.
Kleur
De carapax is altijd vrij licht van kleur, lichtbruin, groenblauw, grijsbruin, grijsachtig
blauw, of grijsgroen. Op de carapax zijn vaak witte lijnen en of vlekkenpatroon
te zien. De poten hebben vaak een oranje schijn.
Habitat
Evenals de blauwpoot zwemkrab, leeft dit dier op zandbodems of bodems met
zand en schelpgruis. De dieren moeten zich kunnen ingraven. Ze komen voor vanaf de
getijdenzone tot op een diepte van 100 m.
Verspreiding
Noord oostenlijke Atlantische oceaan van Noorwegen tot Marokko. Geen betrouwbare waarnemingen in de Middelandse zee.