Algemeen
De hoed is fors en koepelvormig met een soort lobben aan de rand. Hij heeft onder de hoed 8 forse aan elkaar vergroeide bloemkoolvormige mondarmen. Het voedsel vangen ze door een slijm af te scheiden, waaraan het blijft plakken. De geslachtorganen zijn bij het mannetje blauwachtig en bij het vrouwtje meer bruin. Het is een kwal met netelcellen die amper te voelen zijn.

Afmeting
Hij kan een doorsnee tot bijna één meter krijgen.

Kleur
Blauw tot grijsblauw.

Habitat
In de zomermaanden vaak in het ondiep water, de winter brengt hij door in de diepere zone.

Verspreiding
Trefkans is niet groot maar in de Oosterschelde komt hij meer voor als in de Grevelingen.

Terug