Algemeen
Deze slangster wordt minder aangetroffen dan zijn familielid, Ophiura ophiura of te wel de gewone slangster. Het lichaam bestaat uit dicht tegen elkaar liggende plaatjes.
De eerste armplaatjes die bij de middenschijf zitten, hebben een hartvormig model en op de schijf zitten lichte vlekjes aan weerszijde van iedere arm aanhechting. De armen zijn bezet met zeer korte bijna onopvallende stekeltjes. Hun mond zit aan de onderzijde van de middenschijf, waar zich ook een opening bevindt, genaamd madreporiet, waardoor water via een vaatstelsel in het gehele lichaam van de zeester naar binnen vloeit. Deze dieren leven voornamelijk van microscopische kleine voedseldeeltjes, die ze van de bodem opnemen. Door hun eetgedrag zijn ze erg gevoelig voor bodem vervuiling. Je kunt er dan ook vanuit gaan dat de bodem en water kwaliteit goed is, wanneer er veel slangsterren voorkomen.

Afmeting
De kern is een platte middenschijf die een doorsnee van 12 mm heeft met daaraan verdeeld zijn 5 armen, die een maximum lengte hebben van 4x de schijf doorsnee.

Kleur
Levend is Ophiura albida rood bruin van kleur maar dode exemplaren zijn spierwit. Aan de basis van iedere arm zijn twee witte vlekjes te herkennen.

Habitat
Kleine slangsterren leven bij voorkeur op zachte bodems maar ook onder stenen kan men ze aantreffen. Ze geven de voorkeur aan het sublitoraal, het licht proberen ze zoveel mogelijk te mijden. 

Verspreiding
In Zeeland zijn ze vrijwel uitsluitend in de Oosterschelde en in de Noordzee aan te treffen. Het zoutgehalte van het Grevelingenmeer is waarschijnlijk te laag voor deze dieren, maar door het permanent spuien zou dat wel eens kunnen veranderen.


Terug